Bij een scheiding spreek je al snel over een gevoelige en formele zaak: het vastleggen van een alimentatieregeling. Zoals de kinderalimentatie bedoeld is voor de kinderen, is de partneralimentatie er voor de (ex-)partner die niet voldoende inkomsten voor zijn of haar levensonderhoud heeft en deze in redelijkheid ook niet kan verwerven. Familierechtadvocate Sabine van Gestel legt het hoe en waarom uit.
Bij het afwikkelen van een scheiding is een van de belangrijkste én eerste vragen die zich aandient: hoe wordt de behoefte van de (ex-)echtgenoot/(ex-)echtgenote aan alimentatie vastgesteld? De behoefte is het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudgerechtigde in redelijkheid past. De welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk leefden, speelt dus ook mee bij de vaststelling van de behoefte. Het belang van de welstand tijdens het huwelijk kan na verloop van tijd minder worden. Een alimentatiegerechtigde hoeft dus niet per se tot in de lengte der dagen op hetzelfde welstandsniveau te leven als voor de scheiding. Dit zegt ook het rapport Alimentatienormen, een rapport waarin richtlijnen staan voor het bepalen van behoefte en draagkracht. Draagkracht komt later aan bod.
Vaak spelen de volgende factoren bij de vaststelling van de alimentatie een rol:
Om bij het laatste punt te beginnen: de draagkracht is wat er overblijft van het netto maandinkomen van de alimentatieplichtige als de redelijke maandelijkse lasten zijn betaald. Als er dan nog wat overblijft moet een bepaald percentage van dat restantbedrag beschikbaar zijn voor kinder- en/of partneralimentatie.
Een draagkrachtberekening opstellen is een vak apart. Familie-rechtadvocaten van de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (zie www.verder-online.nl [1]) zijn getraind in het maken van deze berekeningen. Het rapport Alimentatienormen besteedt 37 van de 48 pagina’s aan het opstellen van zo’n draagkrachtberekening. Het aantal uitspraken van rechters over draagkrachtberekeningen is zeer omvangrijk. Hoewel diverse modellen op internet circuleren, is het dus niet verstandig om als leek zo'n berekening te maken.
Behoefteberekening
Werkelijke en fictieve inkomsten van de alimentatiegerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage. Degene met een recht op alimentatie kan met een eigen inkomen immers al gedeeltelijk in het eigen levensonderhoud voorzien. Je kunt alleen alimentatie vragen voor zover je zelf niet voldoende inkomen kunt genereren. Werkelijke inkomsten zijn niet alleen arbeidsinkomsten, maar ook inkomsten uit vermogen. Fictieve inkomsten worden bijvoorbeeld meegenomen wanneer een alimentatiegerechtigde in redelijkheid wel kan werken, maar dat expres niet doet. Diegene heeft dan wel een verdiencapaciteit. Bij het vaststellen van de verdiencapaciteit wordt ook rekening gehouden met de zorg die een ouder voor kinderen heeft. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt van de onderhoudsgerechtigde verwacht dat deze zoveel mogelijk probeert aan het werk te komen, bijvoorbeeld een parttimebaan onder schooltijd.
De praktijk wijst uit dat de berekende behoefte vaak niet kan worden betaald. Dat is ook logisch. De scheidende partijen krijgen niet meer inkomen, maar er moeten plotseling wel twee huishoudens bekostigd worden. En twee huishoudens zijn duurder dan één. Toch is het belangrijk om een behoefteberekening te maken. In de eerste plaats ziet een alimentatiegerechtigde op die manier of er moet worden bezuinigd en zo ja, hoeveel dat moet zijn. Verder is de behoefte relevant wanneer de alimentatiegerechtigde zelf (extra) inkomsten gaat verwerven of het inkomen van de alimentatieplichtige stijgt. Moet de alimentatie hierop meteen worden aangepast of juist niet? De alimentatie en de eigen inkomsten zouden de behoefte niet mogen overstijgen. En ten slotte is de behoefte relevant wanneer de alimentatieplichtige bijvoorbeeld een ondernemer is, die zelf de hoogte van zijn inkomen kan bepalen.
De 60% methode
In tegenstelling tot kinderalimentatie bestaan er voor partneralimentatie geen tabellen waarmee de behoefte kan worden vastgesteld. Het is maatwerk. In de praktijk is er een formule ontwikkeld voor een globale berekening van de behoefte. Daarbij wordt het voormalig netto gezinsinkomen als uitgangspunt genomen. Hierop worden de kosten van de kinderen in mindering gebracht. Waar tijdens het huwelijk beide echtgenoten ongeveer de helft van het resterende inkomen zouden opmaken, wordt er voor de behoefte vanuit gegaan dat voor de gescheiden echtgenoot als alleenstaande het leven iets duurder wordt. Bepaalde vaste lasten kunnen nu immers niet meer worden gedeeld. Om die reden wordt volgens de formule na de echtscheiding de behoefte niet 50% maar 60% van het restant. Als dat voor beide partijen zou gelden zou het gezinsinkomen dus in feite 2 x 60%, dus 120% moeten worden. De meeste mensen gaan na de scheiding meestal niet plots 20% meer verdienen. Dus zullen zij ieder de broekriem wat moeten aantrekken. Bij de vaststelling van het netto gezinsinkomen wordt overigens rekening gehouden met alle inkomensbestanddelen, dus ook vakantiegeld, een dertiende maand, bonussen, inkomsten uit vermogen en dergelijke.
Inkomsten en uitgaven
Voor de vaststelling van de welstand in het huwelijk en de daaraan gekoppelde behoefte is het inkomen van groot belang. Maar er wordt niet alleen gekeken naar het inkomen. Alle relevante omstandigheden zijn van belang. Zo wordt er ook gekeken naar de uitgaven in het huwelijk. Het kan immers wel zijn dat een ondernemer qua salaris een laag inkomen in het huwelijk had, maar dat de welstand toch hoger was omdat hiervoor schulden bij de onderneming zijn aangegaan. Het kan ook zijn dat het inkomen juist fors was, maar dat niet alles werd uitgegeven omdat er werd gespaard.
Hoogte alimentatie
De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven dus een aanwijzing voor de hoogte van de bijdrage in het levensonderhoud waarop de onderhoudsgerechtigde na de scheiding aanspraak kan maken. Ook de mogelijkheid van vermogensvorming (sparen) en de mogelijkheid om pensioen op te bouwen zullen bij de vaststelling van de behoefte mogen worden meegenomen. Daarnaast wordt ook naar de toekomst gekeken. Er kan rekening worden gehouden met kosten van levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde die nu al vrij zeker te voorzien zijn. Last but not least: over partneralimentatie is inkomstenbelasting (box 1) verschuldigd.
Kostenoverzicht
Als de formule van 60% van het netto gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen niet werkt, zullen de werkelijke maandelijkse kosten geïnventariseerd moeten worden. Er wordt dan een kostenoverzicht gemaakt. Dat is vaak een hele klus, zeker voor degene die zich tijdens het huwelijk niet met de administratie bezig hield. Kijk maar eens in het voorbeeld van zo’n kostenoverzicht.
Kijk ook in het overzicht van de stukken die een mediator of advocaat nodig heeft om het netto gezinsinkomen en de draagkracht te berekenen.
Alimentatienormen
Voor de vaststelling van de alimentatie kunnen mediators, advocaten en rechters het rapport Alimentatienormen met aanbevelingen van de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak raadplegen. Het rapport is te vinden op www.rechtspraak.nl [2]. De rechter is niet aan de aanbevelingen gebonden, maar volgt deze in de praktijk vaak op.
Indexering 2010
De wettelijke indexering per 1 januari 2010 wordt 2,3%. Dat betekent dat het bedrag van de alimentatie met dat percentage stijgt. Het indexcijfer wordt jaarlijks vastgesteld door de minister van Justitie.
Links:
[1] http://www.verder-online.nl
[2] http://www.rechtspraak.nl